De kerkruïne van Selånger is het eindpunt van de fietsroute Onderweg naar St. Olav en het beginpunt van het St. Olavspad (S:t Olavsleden).
In de vroege zomer van het jaar 1030 kwam de Noorse Vikingkoning Olav Haraldsson aan land bij Selånger, destijds de grote havenbaai van Noord-Zweden, voor wat zijn laatste oorlogspad bleek te zijn. Vlak bij de ruïne staat een decoratief bord dat de plek aanwijst waar Olav aan land kwam. Volgens de overlevering richtte St Olav hier een met koper bekleed kruis op met de woorden: "Land för stam i Jesu namn" (vrij vertaald: "Ons land voor ons volk, in de naam van Jezus"). Het Olavspad start bij de ruïne van de kerk uit de twaalfde eeuw. Een plek waar de pelgrims uit de middeleeuwen vertrokken op weg naar het graf van de toen inmiddels heilig verklaarde Olav.
Duizend jaar geleden verschilde het landschap in Selånger enorm van de huidige staat. De naam Selånger betekent een kalme baai. Toen Olav aankwam in Zweden, was Selånger een havenstad met een baai waarin enkele eilandjes lagen op de plek waar nu Sundsvall ligt. In de elfde eeuw was de haven van groot belang voor de handel tussen Medelpad en Noorwegen. Inmiddels zijn de schilderachtige baai en het water al lang geleden verdwenen.
Wie vandaag de ruïnes van de oude kerk van Selånger bezoekt, staat op een plek die al meer dan duizend jaar een bijzondere betekenis heeft. Lang voordat er stenen muren verrezen, bevond zich hier waarschijnlijk al in de elfde eeuw een houten kapel. Deze stond vlak bij de toenmalige kustlijn en de natuurlijke haven die later bekend werd als St. Olovs hamn. In die tijd reikte de zee veel verder landinwaarts dan nu, en Selånger fungeerde als toegangspoort tot het binnenland van Noord-Zweden.
De plek was niet alleen strategisch, maar ook symbolisch belangrijk. Volgens overlevering zou de Noorse koning Olav Haraldsson (St. Olav) hier in 1030 aan land zijn gegaan op weg naar zijn laatste veldtocht. Of dit historisch verifieerbaar is, blijft onzeker, maar het verhaal onderstreept wel de vroege religieuze betekenis van Selånger.
De ruïnes die nu zichtbaar zijn, behoren tot een stenen kerk die in de dertiende eeuw werd gebouwd, waarschijnlijk ter vervanging van de oudere houten kapel. In de vijftiende eeuw werd het gebouw uitgebreid en gemoderniseerd: er kwamen een toren, een nieuw portaal en een sacristie, en de binnenmuren werden beschilderd met kleurrijke fresco’s. Zulke muurschilderingen waren niet alleen decoratief, maar dienden ook om bijbelse verhalen toegankelijk te maken voor een grotendeels ongeletterde bevolking.
In de middeleeuwen vervulde de kerk van Selånger een rol die veel verder ging dan alleen het religieuze leven. Hier werd het oorspronkelijke exemplaar van de Hälsinge-wet bewaard, daterend uit de jaren 1320. Deze wet gold voor grote delen van Noord-Zweden én voor Finland, dat destijds deel uitmaakte van het Zweedse rijk. Om het kostbare document te beschermen, was het met een ijzeren ketting van ongeveer 2,5 meter aan een kerkmuur bevestigd – een tastbaar symbool van het gezag van de wet.
De beroemde openingszin van de Hälsinge-wet luidde:
“Het land zal worden gebouwd op wetten en niet op gewelddadige daden.”
Provinciale wetten zoals deze vormden eeuwenlang de ruggengraat van de rechtsorde in Scandinavië. Rond 1350 werden zij in Zweden vervangen door één landelijke wetgeving: de wet van Magnus Eriksson.
Vanaf de zeventiende eeuw verloor Selånger langzaam zijn centrale positie. Langzaam, bijna onmerkbaar, rees het land na de ijstijd weer op. Het gewicht van het enorme ijs dat hier duizenden jaren had gelegen, was verdwenen, en het land veerde langzaam terug. Terwijl het omhoog kwam, leek de zee zich steeds verder van de kust terug te trekken, tot de oude haven van Selånger uiteindelijk onbereikbaar werd. Tegen het einde van de achttiende eeuw, in de jaren 1780, raakte ook de kerk in verval. Op een nabijgelegen heuvel werd een nieuwe kerk gebouwd en het oude gebouw werd verlaten.
Bij de zuidelijke muur van de ruïne staat nog altijd een gebroken runensteen uit de elfde eeuw. De inscriptie is onvolledig, maar wordt meestal geïnterpreteerd als:
“Une, Karl en Ane hebben deze steen opgericht ter nagedachtenis aan hun vader.”
De steen herinnert eraan dat deze plek al vóór de stenen kerk een belangrijke ontmoetings- en gedenkplaats was.

